De D en B zijn bekende klanken voor ons, maar niet op het eind van een woord.
In het Nederlands eindigt “bed” op een T maar in het Engels op een D.
Evenzo eindigt “club” in het Nederlands op een P en in het Engels op een B.
Zoals eerder uitgelegd, heet dit “auslautverhärtung” en
Nederlanders (en Duitsers) passen deze regel ook op het Engels toe, waardoor hun
Engels niet Engels klinkt.
De G is de stemhebbende K, die wij in het Nederlands niet kennen, alleen in
leenwoorden als “goal”. In het Engels kan een woord eindigen op een G, zoals in
“egg”.
In woorden die eindigen op een stemhebbende medeklinker, is de
klinker veel langer dan wij Nederlanders denken. Probeer hier ook op te letten.
Luister hier:
card (kaart)
bread (brood)
fed (gevoed)
led (geleid)
lead
(lood)
lead (leiden)
bad (slecht)
bed (bed)
cloud (wolk)
cod
(kabeljauw)
cold (koud)
called (genaamd)
Holland (Nederland)
land (land)
world (wereld)
wide (wijd)
did (deed)
club (club)
rob (overvallen)
bob (pond)
bath tub (badkuip)
rib (rib)
sob (snikken)
web (web)
egg (ei)
bag (tas)
fag (sigaret)
flag (vlag)
nag (zeuren)
leg (been)
log (blok)
frog (kikker)
dog (hond)
fog (mist)
smog (smog)
Hieronder volgen twee rijtjes woorden: het ene rijtje eindigt op een stemloze
medeklinker, het andere op een stemhebbende medeklinker. Hoor je de twee
verschillen? De medeklinker is anders én de klinker is langer/korter.
Luister hier:
height (hoogte) hide
(verbergen)
site
(plek)
side (kant)
freight
(vracht) afraid (bang)
weight (gewicht) wade (waden)
late
(laat)
laid (gelegd)
bet
(wedden)
bed (bed)
bat
(vleermuis) bad (slecht)
built (gebouwd) build
(bouwen)
but
(maar)
bud (knop)
bit
(beetje)
bid (bod)
kit
(uitrusting)
kid (kind)
cot
(wiegje)
cod (kabeljauw)
white
(wit)
wide (breed)
cup
(kopje)
cub (welp)
cap
(pet)
cab (taxi)
rip
(scheuren) rib (rib)
dick
(piemel) dig
(graven)
dock
(dock) dog
(hond)
back
(terug)
bag (tas)
lock
(slot)
log (blok)
folk
(folk)
vogue (mode)
frock
(jurk)
frog (kikker)
Nu twee rijtjes met de stemloze K en de stemhebbende G als beginklank.
luister
hier
could (kon)
good (goed)
coal
(kool)
goal (doel)
came (kwam) game
(spel)
come (komen) gum (tandvlees)
cold
(koud) gold
(goud)
cod (kabeljauw) God (god)
crow
(kraai) grow (groeien)
cave
(grot) gave
(gaf)
Kate
(Kaat) gate
(hek)
card
(kaart) guard
(bewaken)
cap
(pet)
gap (gat)
cane
(stok) gain
(winst)